Ebola in DR Congo: als eerste in actie, als laatste gefinancierd

Caritas International België Ebola in DR Congo: als eerste in actie, als laatste gefinancierd

© Tommy Trenchard - Caritas Internationalis

© Tommy Trenchard - Caritas Internationalis

02/09/2026

In de Democratische Republiek Congo woedt een nieuwe ebola-uitbraak. Het is al de zeventiende keer dat het land met ebola te maken krijgt. Zoals bij elke nieuwe uitbraak komt de internationale noodhulpmachine snel op gang. Maar het zijn de Congolese parochies, NGO’s, en gemeenschaps- en gezondheidswerkers die als eerste in actie komen. Toch krijgen zij elk jaar een kleiner deel van de beschikbare middelen. Deze uitbraak toont hoe belangrijk het is dat lokale organisaties van in het begin voldoende middelen en inspraak krijgen. Hoog tijd dus om de afspraken over lokalisering waar te maken.

Lokale hulpverleners als eerste aan zet

De epidemie wint nog steeds terrein. Op 24 augustus waren 5.665 bevestigde besmettingen en 2.700 overlijdens geregistreerd. In minder dan een maand steeg het aantal besmettingen met meer dan 80%. Het aantal overlijdens steeg met 95%.

Overal waar het risico op besmetting groot is, komen lokale Caritas-teams als eerste in actie.

Ituri blijft het epicentrum van de crisis en behoort tot de zwaarst getroffen provincies. In de provinciehoofdstad Bunia voorziet Caritas Congo eerstelijnszorgcentra van WASH-kits (water, hygiëne, sanitaire voorzieningen) en materiaal om besmettingen te voorkomen en de verspreiding van ebola tegen te gaan.

In Goma organiseerde de diocesane Caritas eind juni een grote informatiecampagne over ebola. Tientallen motorrijders trokken door wijken, langs markten en tot in de buitenwijken van de stad. Met radiospots, educatieve liedjes en preventieboodschappen van acteurs legde Caritas uit hoe mensen besmetting kunnen voorkomen en ging ze desinformatie tegen. Ook bij de drinkwaterpunten die Caritas beheert, brachten ze die boodschap.

Aan de andere kant van de grens, in Oeganda, informeerden Caritas Kasese en Caritas Nebbi de bevolking over ebola en hoe besmetting te voorkomen. Ze deelden zeep, handwasstations, handgel en mondmaskers uit aan scholen, kerken en moskeeën in beide grensdistricten. Omdat deze gebieden vlak bij Ituri liggen, is het risico op verspreiding vanuit het oosten van DR Congo er groot.

Caritas International België Ebola in DR Congo: als eerste in actie, als laatste gefinancierd

© Caritas Goma

Drie acties in drie regio’s, met telkens dezelfde vaststelling: terwijl internationale teams zich nog organiseren en op weg zijn, informeren en beschermen lokale gezondheidscentra, gemeenschapswerkers, parochies en ngo’s de bevolking al.

Hun rol begint bovendien lang voor een noodsituatie uitbreekt. Ze helpen ook om een uitbraak vroeg te ontdekken en te voorkomen. Daarvoor is langdurige financiering nodig. Die houdt gezondheidszorg, toezicht op ziektes en toegang tot water draaiende. Sinds 2025 zijn die middelen echter sterk afgenomen. Daardoor zijn lokale systemen voor preventie en vroegtijdige detectie verzwakt. In Ituri werden onder meer verschillende programma’s voor gemeenschapstoezicht stopgezet. Dat heeft ertoe bijgedragen dat de uitbraak later werd ontdekt.

Daar ontstaat een pijnlijke tegenstelling. Minder geld voor internationale samenwerking verzwakt lokale systemen en leidt tot meer humanitaire noden. Wanneer er vervolgens noodgeld vrijkomt, bereikt ook dat geld de lokale organisaties maar mondjesmaat.

Dat probleem wordt intussen ook binnen de internationale gezondheids- en hulpsector erkend. Dr. Jean Kaseya, directeur-generaal van het Afrikaans Centrum voor Ziektebestrijding en -preventie (Africa CDC), zei in augustus: “Dat is de fout die we vanaf het begin van deze uitbraak hebben gemaakt. We hebben niet naar de gemeenschappen geluisterd.” Volgens Kaseya moet de aanpak van ebola niet alleen medisch zijn. Gemeenschappen moeten zelf een centrale rol spelen.”

Caritas International België Ebola in DR Congo: als eerste in actie, als laatste gefinancierd

De actoren die binnen het humanitaire systeem het minst worden gefinancierd, zijn vaak net de actoren waarvan het succes of falen van de respons op het terrein afhangt.

Christian Nsangamina, humanitair coördinator bij Caritas Congo

Het geld stroomt toe, maar stroomt niet door

Dit jaar kreeg de humanitaire respons in DR Congo een grote financiële impuls. De Amerikaanse overheid trok 370 miljoen dollar uit. Daardoor zijn de gezamenlijke humanitaire fondsen van de Verenigde Naties acht keer groter geworden.

Op papier is dat goed nieuws. Maar wie kijkt naar waar het geld terechtkomt, ziet een heel ander beeld. In 2025 ging nog meer dan 60% van deze fondsen rechtstreeks naar lokale actoren. In 2026 is dat minder dan 5%. Terwijl er dus meer middelen worden vrijgemaakt voor mensen die door de crisis worden getroffen, krijgen de organisaties die hen als eerste bijstaan daar rechtstreeks minder van.

CONAFOHD, een netwerk van Congolese humanitaire en ontwikkelingsorganisaties, waaronder de lokale Caritasorganisaties, spreekt zich daar scherp over uit. Volgens het netwerk is het principe van lokalisering uitgehold. “Grote internationale organisaties krijgen het grootste deel van de koek, terwijl lokale organisaties met de kruimels moeten werken.”

Een deel van het probleem zit in de lange weg die het geld aflegt. Eerst gaat het naar VN-agentschappen. Daarna naar internationale ngo’s, die op hun buurt samenwerken met lokale partners. Bij elke stap komen extra kosten kijken. Zo blijft er minder over voor het werk op het terrein.

Lokalisering: tijd om woorden in daden om te zetten

Het probleem gaat niet alleen over geld. Lokale organisaties krijgen ook te weinig inspraak. Congolese ngo’s zeggen dat ze vaak nauwelijks betrokken zijn bij beslissingen over hun eigen gemeenschappen. Dat staat haaks op de afspraken die de internationale hulpsector zelf heeft gemaakt. Lokalisering mag niet alleen een woord zijn in beleidsplannen. Het moet ook zichtbaar zijn in wie het geld krijgt en wie mee beslist.

Voor Caritas International en haar Congolese partners gaat het daarom om meer dan de bestrijding van ebola. Deze uitbraak toont hoe dringend het is om de afspraken over lokalisering in de praktijk te brengen. Drie zaken zijn daarbij belangrijk:

  • Geef lokale organisaties rechtstreeks toegang tot financiering. Versterk eerst de capaciteit van nationale ngo’s en geef hen rechtstreeks middelen, zoals afgesproken in de Grand Bargain. Internationale organisaties mogen niet automatisch als eerste toegang krijgen tot financiering.
  • Maak duidelijke afspraken over financiering en volg ze op. CONAFOHD vraagt dat een veel groter deel van de humanitaire middelen rechtstreeks toegankelijk wordt voor nationale ngo’s.
  • Investeer vóór een crisis uitbreekt. Preventie, gezondheidszorg en vroegtijdige detectie vragen langdurige steun. Ook minder zichtbare en vergeten crisissen mogen daarbij niet uit beeld verdwijnen.

De huidige gezondheidscrisis in DR Congo laat zien wat er op het spel staat wanneer die steun uitblijft. Lokale systemen verzwakken, uitbraken worden later ontdekt en de noodhulp moet achteraf harder ingrijpen. Lokalisering betekent daarom meer dan lokale organisaties inschakelen om hulp uit te voeren. Het betekent dat zij ook de middelen en de stem krijgen om mee te bepalen wat er gebeurt.

In Bunia, Goma en Kasese wachten de teams van Caritas daar niet op. Ze delen beschermingsmateriaal uit, informeren mensen en leiden gemeenschapswerkers op. Ze doen dat met de middelen die ze vandaag hebben. Caritas International vraagt daarom meer transparantie over de financiering, meer rechtstreekse middelen voor lokale actoren en een volwaardige stem voor Congolese organisaties bij beslissingen over hun eigen gemeenschappen. Dat geldt voor ebola, maar ook voor andere crisissen, zichtbare én vergeten.

Christian Nsangamina vat het eenvoudig samen: “Wie een crisis als eerste detecteert, zou niet als laatste de middelen mogen krijgen om erop te reageren.”

Verwant nieuws

Alle nieuwsberichten