Caritas International  Het verhaal van Hussein
20/06/2017

“Voor hun eigen veiligheid zegt mijn familie dat ik dood ben.”

“Ik voel me niet op mijn gemak, ik ken de voorschriften hier niet. Wat kan ik je zeggen? Wat kan niet?”. Zo begint het interview met Hussein : 42 jaar, erkend vluchteling, aangekomen in België in september 2015. Een ernstige man, kalm, diepzinnig, hij zegt geen woord teveel, wikt en weegt zijn zinnen. Bijna twee jaren later probeert hij als erkend vluchteling zijn dagelijkse leven te hervatten in een nieuwe omgeving: Edingen.

“Ik wilde niet zonder papieren leven, daarom ben ik naar Europa gekomen. Ik wil bij mijn familie leven. In veiligheid. Dat is een gevoel dat ik al jaren niet meer gekend heb. Maar vandaag wil ik vooral vader zijn, elke dag.”

“Mijn zoon is 20 jaar oud. Hij is een man, geen kind meer. Maar hij praat geen Engels. Dus als het zo moeilijk is voor mij, hoe zal hij het hier dan doen? Ik ben bang. Bang voor hem, voor de veranderingen die hij zal moeten trotseren. Ik denk dat ik opener ben, meer open-minded, dan mijn zoon omdat ik al gereisd heb. Hoe zal hij zich hier aanpassen?” Deze vraag sloopt Hussein. Net zoals het feit dat hij niet weet of aan zijn familie binnenkort gezinshereniging zal worden toegekend.

“Ik ben Irak ontvlucht op 10 augustus 2016. Met het vliegtuig, naar Turkije. Ik had enorme problemen in Irak. Milities hadden me beschoten. In Turkije hoopte ik werk te vinden, een nieuw leven te beginnen en op een dag herenigd te zijn met mijn familie. In Irak zegt mijn familie overal dat ik dood ben. Het is voor hun eigen veiligheid, zodat de leden van de militie hen niet lastigvallen om te weten waar ik ben. Ik heb nog maar weinig contact met hen. Ik heb vier kinderen: twee jongens en twee meisjes. De oudste is 20; de jongste 3. Ik mis hen.”

“Vanuit Turkije besliste ik uiteindelijk naar Europa te gaan. Dat was niet mijn bedoeling toen ik vertrok, maar in Turkije kreeg ik geen papieren. Ik wilde niet in de illegaliteit leven. Iemand hielp me per boot Griekenland te bereiken. Ik kon toen niet goed wandelen door de wonde van de kogel die me getroffen had. In Griekenland ging ik naar Athene, dan naar Macedonië en Servië. Te voet, met mijn kruk. Tussen Macedonië en Servië reisden we soms per trein. Maar er was niets, nooit: geen plaats om te slapen, geen toilet, geen voedsel. Een man van de Kerk heeft me een dag geholpen: hij heeft me water en voedsel gegeven. Ik was moe, mijn been deed pijn. Ik ken mezelf: als ik stop, zal ik niet meer opstaan, dacht ik op dat moment. Dus ben ik verder blijven wandelen, zonder de andere vluchtelingen. Ik ben verdergegaan tot in Oostenrijk. Om uiteindelijk in België aan te komen.”

Tijdens de hele reis, 22 dagen, ben ik geen enkele Europese burger tegengekomen. Enkel politie, vluchtelingen of mensen die me vroegen te betalen, die me geld aftroggelden –geld waarvan ik er niet genoeg had. Onderweg ben ik door deze ‘ontmoetingen’ Europa beginnen haten. ‘It’s the same shit’, zei ik tegen mezelf.”

“In België werd ik opgevangen door Caritas International. Ik heb Belgische burgers ontmoet. Vriendelijke mensen. Vandaag haat ik Europa niet meer”. Hussein lacht breed als hij dit zegt. Nooit lijkt hij ontmoedigd, ook al zegt hij meermaals dat zijn leven « grey grey grey » is.  “Ik heb papieren, ik leer Frans. Ik heb nog niet veel contact met de mensen hier maar mijn huisbaas –die ook mijn buurman is – is heel sympathiek en begrijpvol.

“Mijn familie is soennitisch. ‘Hussein is zeer speciaal in onze cultuur. Hussein is de kleinzoon van de profeet Mohammed. De (voor)naam is een goed voorteken”. Duimen maar!

Meer verhalen

Alle verhalen